Wat is deltavliegen ?

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Zeilvliegen

Zeilvliegen is zowel een sport als een vorm van ongemotoriseerde luchtvaart. Andere benamingen voor deze sport zijn: het Engelse Hanggliding (men startte vooral in het begin op een hellinkje, een ‘hang’), of Deltavliegen (afgeleid van de Engelse term Delta Wing, genoemd naar de vorm van de vleugel, die op de Griekse letter Delta (“Δ”) lijkt). In het Duits heet het Drachenfliegen, in het Frans Deltaplane.

Internationaal wordt zeilvliegen georganiseerd door de CIVL (Commission Internationale de Vol Libre), een afdeling van de FAI (Federation Aeronautique Internationale). Door de CIVL is zeilvliegen in vijf klassen verdeeld, waarbij de klassering betrekking heeft op typen toestel waarmee gevlogen wordt. Zo is deltavliegen klasse 1, parapenten is klasse 3, rigids zijn klasse 2 en swifts en dergelijke zijn klasse 5.

In Nederland is zeilvliegen georganiseerd door een afdelingen van de KNVvL (Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart): de afdeling “Zeilvliegen”, waarin zowel delta’s als rigids vertegenwoordigd worden. De Belgische Vrije Vlucht Federatie groepeert de beoefenaars van deltavliegen en parapente in België. Zij verzorgt het beheer van deze sporten in België (vliegplaatsen, brevetten, examens,…), organiseert de Belgische Kampioenschappen, en vertegenwoordigt België op internationaal vlak.

Zoals geldt bij alle vliegtuigen hebben delta’s snelheid nodig. Delta’s vliegen al vanaf een 15km per uur relatieve wind (wind ten opzichte van de vleugel).Zodoende kan er lopend (van een helling) gestart worden. Buiten de “foot-launched” start zijn er nog verschillende methoden om te starten: Je aan een kabel op laten slepen (met een vaste lier, een sleepboot, een ultralight-vliegtuigje, een auto-lier of een vrachtwagen met lierplatform) of je door een luchtballon laten droppen. Eenmaal veilig en hoog in de lucht kan er hoogte gewonnen worden door gebruik te maken van thermiek of van hellingstijgwind.

Beschrijving

Zeilvliegen is een sport waarbij de piloot zichzelf via een harnas bevestigt aan een vlieger zo groot, dat deze in staat is de piloot mee de lucht in te nemen en te houden zonder dat de combinatie met een lijn aan de grond bevestigd blijft. Men spreekt uiteraard niet van een ‘atleet’ maar van een ‘piloot’, temeer omdat deltavleugels goed bestuurbare zweefvliegtuigen zijn en de sport eigenlijk vooral zonder competitie-element, dat wil zeggen recreatief beoefend wordt. Dit vliegtuig had tot aan de jaren tachtig van de twintigste eeuw een sterk driehoekige vorm, spreekt men over delta’s of deltavleugels. De vorm van de huidige generatie vleugels gaat namelijk steeds meer lijken op die van een traditioneel zweefvliegtuig, die aerodynamisch gunstigere eigenschappen heeft.

Zelfstandig deltavliegen wordt door zo’n 400 à 500 Nederlanders en een 250-tal Belgen beoefend. Delta’s zijn snel samengevouwen en makkelijk transporteerbaar op de bagagedrager van een personenauto. De omstandigheden zijn in bergachtige gebieden veelal genakkelijker geschikt om langere vluchten (van enkele uren) op grotere hoogten (vaak ook enkele duizenden meters) te maken. Nederland en België zijn slechts ten dele geschikt om boven te deltavliegen. Enerzijds vanwege de geringe vrije hoeveelheid luchtruim waar gevlogen mag worden en anderzijds vanwege de beperkte hoeveelheid hellingen waar te voet gestart kan worden.

Binnen de Benelux gebruikt men (bij gebrek aan bergen) als startmethode doorgaans de lierstart of de voetstart van de duinen of de hellingen in de Belgische Ardennen. Een delta maakt daarbij vaak net zoals de vogels en zweefvliegtuigen gebruik van de hellingstijgwind en thermiek. Hoewel het zeilvliegtuig bij gebruik van hellingstijgwinden langs het strand in zijn bewegingsvrijheid dan gebonden is aan de vorm van de duinen, schenkt het de piloot een magnifiek uitzicht over het landschap om hem heen en een betrekkelijk gedoseerde fysieke belasting, die na een vlucht een gezonde voldoening geeft vergelijkbaar met een bezoek aan de sportschool.

Het verantwoord en veilig starten, besturen en landen van een delta vergt zowel een fysieke als mentale inspanning waarvoor instructie onontbeerlijk is. Er zijn verschillende scholen in Nederland en België die de instructie op zich nemen. Kosten van de uitrusting en lessen zijn vrijwel overal vergelijkbaar. Om zelfstandig, zonder enige begeleiding te mogen vliegen, dienen er steeds theoretische en praktische proeven uitgevoerd te worden, en dient er regelmatig gevlogen te worden om de vaardigheden bij te houden. Tevens dient een piloot jaarlijks zijn reddingsparachute welke hij met zich mee dient te dragen bij vluchten op meer dan 100 meter hoogte onder begeleiding van of door een deskundige te laten herpakken en controleren.

Aan de fysieke gesteldheid van de aspirant-beoefenaar worden geen bijzondere eisen gesteld anders dan een goede gezondheid. Het kunnen trekken van een sprintje en een ‘beetje’ uithoudingsvermogen vergelijkend met het 10 minuten joggen zonder pauzes is indicatief voor de hoeveelheid benodigde aanvangsconditie. Toetsingen van deze aanvangsgezondheid of beter gezegd de sportkeuring kan in Nederland verricht worden door bijvoorbeeld het Sport Medisch Adviescentrum met vestigingen verspreid over het hele land.

In België zijn alle vliegtuigen die “foot-launched” gestart kunnen worden zoals deltavliegen en parapente niet gereglementeerd. Bijgevolg kan er overal in België vrij gevlogen worden in niet-gecontroleerde gebieden indien men toestemming heeft van de eigenaars van het terrein waar men start en land. Verder is het aangeraden om verzekerd bij de Belgische vrijevlucht federatie die op hun beurt wél verschillende regels handhaven voor verschillende toelatingen.

Reguliere startmethoden

Naast de voetstartmethode waarbij de piloot door eigen inbreng -lopend en rennend van een helling- het toestel de benodigde vliegsnelheid geeft zijn er tevens de lierstart, de sleepstart en de start waarbij gebruik wordt gemaakt van een kleine hulpmotor (de zogenaamde snordelta of deltamet). We spreken dan dus van een externe krachtbron die als hulpmiddel gebruikt wordt om op de gewenste start- dan wel uitgangshoogte te komen, analoog aan het traditionele zweefvliegen. Sporadisch wordt gestart door de delta aan een heteluchtballon te hangen en op de gewenste hoogte los koppelen: “ballondrop”.

Bij de lierstart wordt de deltavlieger met behulp van een kabel die op een trommel wordt ingehaald omhoog getrokken. Eenmaal op hoogte wordt de kabel door de piloot ontkoppeld en gaat deze op zoek naar thermiek of factoren waardoor de vluchtduur verlengd kan worden. Het is mogelijk om dit lieren trapsgewijs te doen. Daartoe vliegt de piloot met de kabel weer terug naar de startplek, waar hij omkeert en vanaf die positie opnieuw naar de lier wordt getrokken: “traplieren”. Met deze liertechniek kan met gebruik van een relatief klein lierveld toch een flinke hoogte worden bereikt, waarbij 750 meter ontkoppelhoogte heel gewoon is.

De sleepstart gebeurt achter een ultralight vliegtuigje. Net zoals bij de zweefvliegers kan men naar stijgwindgebieden gebracht worden.

Voorts kent het zeilvliegen de startmethode met een kleine hulpmotor. Omdat de motor klein en licht is, is hij hoofdzakelijk bedoeld voor het winnen van hoogte. De start en landing gebeuren net zoals met een gewone deltavlieger: te voet en zonder wielen. De “delta-met” of “snordelta”, zoals hij in de volksmond genoemd wordt, onderscheidt zich van de reguliere ultralights door zijn onveranderd lage gewicht, zijn lage snelheid en de kleine ruimte die er nodig is voor het starten en landen, ongeveer gelijk aan de normale deltavlieger.

Ontwikkelingen

Het zeilvliegen lijkt met de opkomst van het parapente enigszins aan populariteit te hebben ingeboet ten opzichte van zo’n vijftien à twintig jaar geleden. Parapente lijkt iets laagdrempeliger en voor iedereen toegankelijk, zelfs voor rolstoelgebruikers. Door het ontbreken van het aluminium “airframe” is het gewicht lager en lijkt de sport lichter en makkelijker. Juist deze trendy looks doet soms vergeten dat het om luchtvaart gaat. De prestatie van wedstrijdschermen evenaart de prestatie van de beginners- en intermediate zeilvliegers en gaat er soms zelfs overheen. Bij forse wind echter zal een parapente vaak snel al niet meer kunnen vliegen terwijl het vaste profiel van een delta bij zal blijven dragen aan stabiliteit en prestatie. Er is dus een duidelijk verschil tussen parapenters en zeilvliegers, zowel technisch als aerodynamisch. Ook de parapente kan zich bedienen van de bovenstaande startmethodes.

Laatste nieuws

Onlangs is door de overheid eenzijdig besloten dat zeilvliegers een transponder bij zich moeten hebben, om de veiligheid van de luchtvaart te verhogen. Dit is echter tot op heden praktisch niet uitvoerbaar, omdat er -tot op heden- nog geen transponders bestaan die klein en licht genoeg zijn om door een zeilvlieger te worden meegenomen. Daarnaast is het ook onwenselijk om een aantal redenen: – Het op de rug meenemen van een groot en zwaar apparaat, kan bij de landing ernstig rugletsel veroorzaken. – Een transponder kost al gauw evenveel als een gemiddelde zeilvlieguitrusting en de verplichting tot aanschaf zal voor menig zeilvlieger de sport onnodig duur, zo niet onmogelijk maken. – Het is de vraag of de veiligheid er mee is gediend, omdat verkeersleiders zullen worden geconfronteerd met onnodige en storende informatie op hun beeldschermen. – Het aantal vluchtbewegingen van zeilvliegers in Nederland (en daarmee de kans op gevaarlijke situaties) is dermate klein, dat deze maatregel volkomen overbodig lijkt.

Externe link

Leave a Reply